Cornelis van Hese, Antz. bestolen (1892)

Goes, den 5e April 1895

Ik heb de eer U hierbij te doen toekomen een proces verbaal tegen
 
Johannes Zuidweg

Naar mijn inziens verdacht van diefstal. Verdachte heeft het ontvreemde geld f 3,80 aan van Hese gisterenavond teruggegeven.
Ik acht mij echter verplicht U opmerkzaam te moeten maken onder welke omstandigheden deze teruggave is geschiede.
Daar ik verzekerd was dat verdachte niet zou bekennen, sprak ik met van Hese af, dat deze Zuidweg zou voorslaan, dat zoo hij hem het ontvreeemde geld terug gaf, hij van Hese verklaren het geld terug te hebben gevonden in den jaszak.
Zoo geschiedde het, alvorens verdachte gisterenavond zijn onschuld halsstarrig had volgehouden, gingen hij en van Hese van mijn bureau, kwamen een half uur daarna terug en deelde van Hese mij in bijzijn van verdachte mede het geld teruggevonden te hebben.
Spoedig daarop bekende hij, want ik maakte ze attent op de onwaarten die zij toen verklaarden.
Verdachte staat bij politie slecht bekend.

De overtuigingstukken, een ringetje, een sleuteltje en een 10 centimestuk in beslaggenomen, zullen ter Griffie Uwer rechtbank worden gedeponeerd.
Tevens leg ik hierbij over een rapport omtrent zijn voorigen gedrag toen hij dienstbaar was bij den heer E.J. Pilaar alhier.

De commisaris van politie

Proces - Verbaal

Op den derden April 1800 vijf en negentig des avonds omstreeks acht en een half uur heb ik ondergetekende W.E. van Kogelenberg, agent van politie en onbezoldigd rijksveldwachter te Goes, een aangifte gekregen van Cornelis van Hese, oud 23 jaren, werkman, wonende aan de Mattheus Smallegangebuurt aldaar, dat hij even te voren van een tafel in de kolfbaan van de Prins van Oranje alhier zijn portemonnaie had vermist, waarvan de inhoud ongeveer f 3,50 of f 4,- was, waaronder twee guldens, twee halve stuiverstukken, één cent en het overige kwartjes en dubbeltjes, bovendien een belgisch stuk van tien centime, een sleuteltje en een zilveren ringetje, waarop een stuivertje was gesoldeerd en dat hij Johannes .Zuidweg, oud 52 jaren, stadsomroeper, wonende naast genoemde van Hese verdacht deze te hebben weggenomen.

Na door mij naar de reden dezer verdachtmaking gevraagd zijnde verklaarde Van Hese het volgende:

Ik had den geheelen dag met Zuidweg verkochte goederen naar de koopers gebracht. Nu laatst kwam ik terug met eene aan een verkeerd adres bezorgde kast, welke uit elkander was genomen.

Zuidweg vroeg mij de redenen waarom ik terug kwam en ik zeide ze hem.

Toen moest ik eenige schroeven uit mijn zak halen, waarom ik, omdat ik daar niet bij kon, eerst mijn portemonnaie er uit trok en deze op tafel legde. Daarna verwijderde ik mij uit de zaal ten einde iets te gaan eten, waarom ik, bij den slagen Dierikx, voor een dubbeltje leverworst bestelde. Toen ik betalen wilde merkte ik op, dat ik mijn portemonnaie op de tafel in de kolfbaan had laten liggen, ging direct terug, maar deze was verdwenen.

Ik vertelde mijn wedervaren aan Zuidweg en deze vond het erg, ja hielp mij zelfs zoeken.

Niettegenstaande wij nog eenige stukken van de verkoping bezorgen moesten, wilde hij weggaan, voorgevende niet voor een stuiver of een dubbeltje te willen blijven tot tien a elf uur. Hij vroeg mij om mee te gaan naar den tapper Luijk op de Beestenmarkt, dan kon ik een borrel krijgen.

Na eerst geweigerd te hebben ben ik hem toch nageloopen en bij genoemden tapper gekomenzeide hij: ik heb nog zestig cent, wil je een borrel hebben? Ik nam een glas bier.

Zuidweg ging weg om nog eenig geld te halen. Mijn broeder Judocus ging hem op mijn verzoek achterna om te zien waar hij bleef. De laatste vertelde mij, dat hij(Zuidweg) bij de Jonge aan de Koepoort was geweest en toen langs een zeer grooten omweg voorbij eene vest weer naar Luijk is gekomen.

Toen ben ik naar U toegekomen om aangifte te doen.

Op het ogenblik, dat ik mij verwijderde om te gaan eten bevond zich niemand in de zaal als de deurwaarder Holleman, de brigadier der rijkswacht, Zuidweg en ik.

Na voorlezing en goedkeuring geteekend:

C van Hese

 

Na deze mededeling heb ik Zuidweg en van Hese op het politiebureel doen komen waarvoor ik naar de tapperij van Luijk ben gegaan en zelf zelf met hun naar genoemd bureel ben terug gekomen.

Desgevraagd verklaarde Zuidweg mij het volgende:

Ik weet niets van de zaak af, althans wat de portemonnaie betreft, het andere is alles waar.

In zijn portemonnaie, die ik hem voor den dag liet halen, bevond zich f0,98.

Hij zeide niet dat hij nog meer geld bij zich had.

Nadat ik hem na eenige oogenblikken nauwkeuriger wilde fouilleren gaf hij te kennen dat hij los in zijn zak nog meer geld had, afkomstig van de haring waar hij ’s morgens mee had gevent.

Bij het natellen daarvan bleek dat dit de som van f 3,86 bedroeg, waaronder twee guldens , vier kwartjes, acht dubbeltjes, twee halve stuiverstukken en één cent. Benevens en Belgisch muntstuk van tien centimes dragende het jaartal 1862, welk jaartal door klager als kenmerk was opgegeven.

Niettegenstaande bovengemelde feiten bleef verdachte ontkennen iets van het feit te weten.

Onder het gaan van de tapperij van Luijk naar de politiewacht heeft van Hese gehoord dat Zuidweg iets liet vallen, waarom hij na het verhoor op die plaats met een lantaarn is gaan zoeken en het ringetje en sleutel heeft gevonden, welke voorwerpen benevens het Belgisch muntstuk door mij zijn in beslag genomen.

Op ambtseed opgemaakt en getekend:

W.E. van Kogelenberg

In verband met nevensgaand proces verbaal, opgemaakt door den agent van politie tevens onbezoldigd rijksveldwachter Willem Elise van Kogelenberg, heb ik ondergetekende Commissaris van politie der gemeente Goes op heden den vierden April 1800 vijf en negentig voor mij doen verschijnen ten einde ze nader te hooren als:

1e

Cornelis van Hese, oud 23 jaren, werkman, woonachtig te Goes.

Desgevraagd verklaarde hij als volgt:

Zooals ik gisterenavond 3 April heb opgegeven aan den agent van politie van Kogelenberg, is waar.

Ik ben in het koffiehuis “de Prins van Oranje”, alhier gisteren 3 April aan ’t werk geweest als uitdrager. Johannes Zuidweg ook. Wij hebben den geheelen dag te zamen gewerkt.

Tegen 9 ½ uur in den avond kwam ik met een kast in de Prins van Oranje terug. Ik had deze aan een verkeerd adres bezorgd en plaatste deze wederom in het lokaal bij de andere goederen. Ik haalde de schroeven en sleutel dezer kast uit mijn broekzak en legde mijn portemonnaie op de tafel. In deze portemonnaie bevonden zich ongeveer f 3,50 ad f 4,- guldens, waaronder twee guldens, twee halve stuivers, een cent en het overige dubbeltjes en kwartjes. Verder een zilveren vingerring waarop gesoldeerd een stuivertje, een sleuteltje en een 10 centimestuk jaartal 1862.

Zuidweg kan wel hebben gezien, dat de portemonnaie door mij op de tafel werd nedergelegd, want wij waren daar vlak bij aan ’t werk.

Verder bevonden zich nog in deze zaal, de Brigadier Verhoek, deurwaarder Holleman en uitdrager Jacobs.

Nadat nu de portemonnaie een ogenblik op tafel had gelegen, moest ik even de stad in en daar ik honger had, wilde ik onderweg voor tien cent leverworst koopen en bemerkte ik tot mijn schrik, de portemonnaie in de Prins van Oranje te hebben laten liggen. Dadelijk ging ik terug en bemerkte dat de portemonnaie weg was.

Zuidweg daarover onderhouden, verklaarde van niets te weten en melde niettegenstaande er nog meer goederen moesten worden bezorgd, uitscheiden met rondbrengen en sloeg mij voor met hem naar Luijk te gaan waar hij mij zou tracteren.

Zuidweg ging weg. Ik bleef nog even naar de portemonnaie zoeken en toen ik deze niet vond ging ik ook naar Luijk, waar Zuidweg mij op een glas bier tracteerde.

Hij bracht zijn portemonnaie voor den dag En zeide “ik heb nog zestig centen”.
Daarna zeide hij:”ik moet nog naar de Jong om geld op te helen”. Hij had daar ook goed gebracht en ging heen.
Ik zei tegen mijn broer Judocus:”ga hem na en zie eens waar hij blijft”, (Hij wist van den diefstal van de portemonnaie niets).
Toen mijn broer terugkwam zeide hij dat Zuidweg met een omweg naar de Jong was gegaan.
Daarop ben ik naar het politie bureau gegaan en heb aangifte van den diefstal gedaan aan den agent van politie van Kogelenberg.
Na de aangifte ben ik weder naar de herberg van Luijk gegaan en trof daarin weder Zuidweg.
Een ogenblik later kwam Kogelenberg en verzocht deze mij en Zuidweg mede te gaan naar de politiewacht.
Wij lipen naast hem en hoorde ik dat Zuidweg onderweg en het Stalstraatje iets weg wierp.
Nadat Kogelenberg de zaak had onderzocht ben ik met een lantaarn aan ’t zoeken gegaan in het Stalstraatje en vond ik in het bijzijn van den zoon van Pik mijn ringetje, door Kogelenberg in beslag genomen en dat in mijn portemonnaie had gezeten.
Daarna vond ik in hetzelfde straatje in de goot het sleuteltje dat ook in mijn portemonnaie gezeten heeft. Ook zulks is door Pik en anderen gezien.
Deze voorwerpen heb ik tien aan van Kogelenberg afgedragen.

Na voorlezing goedgekeuring geteekend

C. van Hese

2e

Johannes Zuidweg, oud 52 jaren, Koopman te Goes.

Desgevraagd verklaarde hij ( na langen tijd alles te hebben ontkent) als volgt;

Ik heb de portemonnaie van Cornelis van Hese, waarin f 3,86, een 10 centimestuk, een zilveren ringetje waarop gesoldeerd een stuivertje en een sleuteltje gisteren namiddag 4 april omstreeks 7 ½ van eene tafel in de kolfbaan van de Prins van Oranje, waar wij uitdragers van verkochte goederen waren, ontvreemd en later toen ik met Kogelenberg en van Hese naar de politiewacht ben gegaan, heb ik het zilveren ringetje en sleuteltje weggeworpen in het Stalstraatje.
De portemonnaie heb ik geworpen in de haven alhier toen ik naar de Jong ben gegaan om geld voor de bezorging van goederen.
Ik heb hedenavond (4 april) het geld aan van Hese teruggegeven en hem verzocht de zaak in te trekken.
De portemonnaie zal niet teruggevonden kunnen worden, daar hij in de haven ligt.

Na voorlezing en goedkeuring geteekend;

Joh. Zuidweg

 

3e

Leendert Jan Pik, ruim 16 jaren, schipper, woonachtig te Goes, verklaarde desgevraagd op heden den vijfden April d.a.v. als volgt;

Cornelis van Hese kwam een gisterenavond (3 April) omstreeks 10 ½ uur bij ons aan ’t schip en vroeg om een lantaarn en of ik eventjes met hem mede wilde gaan, daar er wat van hem gestolen en in het Stalstraatje weggeworpen was.
Ik ging met hem mede en vonden wij in het stratje een zilveren ringetje, waarop een struivertje gesoldeerd (daar was reeds op getrapt) en een sleutje en die volgens bewering van Cornelis van Hese hem ontvreemd waren.
Daarna hebben wij deze voorwerpen naar de politiewacht toegebracht.

Na voorlezing en goedkeuring geteekend

Waarvan op ambtseed dit proces verbaal te Goes vijfden April 1800 vijf en negentig gesloten.

De commissaris van politie.