Cornelis van Hese, Antz. 2 verdenkingen op een dag (1905)

2 verdenkingen op een dag

 

Op 11 october 1905 gaf Cornelis de politie weer handen vol werk, wat te lezen valt in de volgende twee processen-verbaal, welke werden opgemaakt door agent van politie Pieter den Hollander.

1e

Verdacht van twee misdrijven, teweten huisvredebreuk en vernieling

 

In den namiddag van den elfden October 1900 en vijf, omstreeks vier uur, verscheen voor mij Pieter den Hollander, agent van politie en onbezoldigd riksveldwachter te Goes aan de wachtkamer van het politie alhier, Maria Johanna Walraven en mij vroeg of ik eens naar de herberg van Pieter Geus wilde komen.

Ik relatant begaf mij daarop dadelijk naar de tapperij van Geus, gelegen aan de Ganzepoortstraat alhier en aldaar binnen zijnde, deelde Pieter Geus, oud 44 jaar, tapper en logementhouder te Goes mij mede dat hij aan Cornelis van Hese niet wilde tappen en hij van Hese gelast had zijn tapperij te verlaten, waaraan hij niet aan voldeed. Als toen gelaste Geus in bijzijn van mij, van Hese heen te gaan, doch zonder gevolg waarop ik relatant Cornelis van Hese, geboren te Goes 18 december 1871, van beroep kelner en werkman en wonende te Goes, verzocht heen te gaan en wel bij herhaling, waaraan hij eindelijk aan voldeed.

Toen ik relatant met van Hese voor die tapperij stond te praten en van Hese met Wilhelm Leendert Schrijver van mij heengingen en ik mij een eindje verwijderd had, werd ik door Geus teruggeroepen, die mij mededeelde als dat van Hese zoo even na mijn vertrek getracht had door de achterdeur naar binnen te komen, doch dat hem dat niet gelukte.

Daarop begaf hij zich naar de voordeur, hetgeen hem ook werd belet binnen te komen en hij mij (Geus) toen toevoegde:”Ik zal me vanavond wel op je wreeken”. Geus deelde mij nog mede toen hij van Hese weigerde te tappen en hij gelastte zijn tapperij te verlaten, hetgeen hij niet deed, zag ik dat van Hese eenige malen met een mes uit een zijner zakken nam, welk soort mes het was weet ik niet, en hij met dat mes in de hand op mij afkwam en onder bedreiging met de woorden: “Als je aan mij durft te komen steek ik het mes in je donder dat de darmen er uit komen”. Daarop heb ik de hulp der politie door Maria Johanna Walraven doen inroepen en als getuigen geef ik op Maria Johanna Walraven en Samuel de Jonge Mulock Houwer.

Maria Johanna Walraven, oud 41 jaar, dienstbode te Goes, die aan mij verklaart als volgt:

“Op den elfden October dit jaar des namiddags omstreeks vier uur bevond ik mij in de herberg van Pieter Geus alhier en weigerde Geus aan Cornelis van Hese te tappen. Ook gelastte Geus ,van Hese heen te gaan, hetgeen hij niet deed. Daarop zag ik dat van Hese eenige keren met een mes, welk model weet ik niet, uit een zijner zakken nam en met dat mes in de hand naar Geus toekwam, onder bedreiging met de woorden;” Als je aan mij durft te komen steek ik het mes in je donder dat de darmen er uit komen”. Daarop werd ik door Geus om de politie gestuurd. Toen den Hollander, van Hese uit de tapperij verwijderd had en daarna een eindje weg was trachtte van Hese achter door binnen te komen, hetgeen niet gelukte. Alstoen ging van Hese naar de voordeur en werd hem ook daar de toegang belet. Daarop voegde hij Geus de woorden toe;”ik zal je vanavond wel op je wreken”.

Samuel de Jonge Muloch Houwer, oud 41 jaar, wijnhandelaar te Goes die verklaart als volgt:

“In den namiddag van den elfden October dit jaar omstreeks vier uur bevond ik mij in de herberg van Pieter Geus alhier en hoorde dat Geus tegen Cornelis van Hese zeide;”ik tap je niet” en gelastte Geus, van Hese zijn tapperij te verlaten, hetgeen van Hese niet deed. Daarop zag ik dat van Hese naar Geus toe ging en met de bedreiging van woorden;”als je aan mij durf te komen, steek ik je in je donder, dat de darmen er uitkomen”. Hoewel ik geen mes heb gezien omdat van Hese in een schuine richting van mij afstond. Even daarna verscheen de politie. Toen van Hese en de politie de herberg hadden verlaten en de politie zich een eindje verwijderd had, trachtte van Hese aan de achter en daarna aan de voordeur binnen te komen, hetgeen hij werd belet. Van Hese voegde daarop Geus nog toe;”dat zal ik vanavond wel op je wreken”.

Als verbalisant kan ik hier nog aan toevoegen, toen ik van Hese uit de tapperij verwijderd had, van Hese tegen mij zeide:”Ik zal Geus vanavond nog wel vinden, hij is nog niet van mij af”.

Van Hese was niet dronken.

Waarvan op ambtseed dit proces-verbaal door mij is opgemaakt en geteekend op 16 October negentien honderd en vijf.

w.g. P. den Hollander

 

In aansluiting met boven proces-verbaal kan ik, den Hollander, reeds boven vermeld nog bijvoegen, dat ik des avonds omstreeks zes en een tweede uur van bovengenoemde datum, weer werd geroepen om naar de herberg van Pieter Geus te komen en toen ik aldaar was, verklaarde Geus aan mij als dat van Cornelis van Hese met een handkar waarop eenige ladders lagen, moedwillig en opzettelijk op het raam waarvoor hij, Geus, gezeten was, kwam aangereden met dat gevolg, dat de tappen nevens dat raam tegen het raamkozijn terecht kwamen. Daarop kwam van Hese in het portaal dat toegang geeft tot mijn tapperij en sloeg hij een glazen deur aldaar moedwillig een matglazen glasruit stuk. De waarde van deze ruit is vijf en zeventig cent en als getuige geef ik op Maria Johanna Walraven.

Maria Johanna Walraven, reeds boven vermeld, verklaart aan mij relatant, nu haar de verklaring van Geus te hebben gelezen, geheel daarmede te kunnen instemmen.

Daarna is door mij relatant gehoord in het proces-verbaal meermalen genoemde Cornelis van Hese, die mij verklaart van het stukslaan van een glasruit bij Pieter Geus niets te weten.

w.g. P. den Hollander