Pieter van Hese, Antz. verdacht van mishandeling (1894)

Pieter van Hese Antz. verdacht van onderlinge mishandeling.

 

In den nacht van vijf en twintig op zes en twintig Februari 1800 vier en negentig, omstreeks kwartier voor twaalf uren, vervoegde zich in de wachtkamer van politie alwaar ik Marcus Slimmens, Hoofdagent van politie en Onbezoldigd Rijksveldwachter te Goes tegenwoordig was, Adriaan Harinck, oud 19 jaren, arbeider, wonende aan de J. A. van der Goeskade te Goes met de volgende klacht:

“Zoo even te voren na het verlaten eener tapperij om 12 uren, bevond ik mij met Pieter van Hese en Johannes Bruël, beiden uit Goes, aan de Kleine Kade aldaar. Ik en van Hese kregen woordentwist en van Hese zeide tegen mij: ”je bent nog niet van mij af”, en pakte mij terstond met beide handen bij mijn hals en rug en sloeg mij tegen den grond. Ik stond op om mijn weg te vervolgen en hij herhaalde de woorden: “je bent nog niet van mij af” en greep mij andermaal beet en stoote toen mij eenige malen met den vuist onder mijn kin. Daarna wierp hij mij tegen een huisdeur, dat ik met mijn hoofd op de kruk dier deur terecht kwam en begon te bloeden.

Ik heb hem ook met mijn hand in ’t gelaat geslagen om mij te verdedigen. Toen ik zeide de politie daarvan kennis te zullen geven, gaf Bruël te kennen niets van de mishandeling te hebben gezien”.

Klager vertoonde aan agent Slimmens relatant een kleine bloedend ontvelling aan de rechterzijde van zijn hoofd.

Was getekend: Adriaan Harinck

 

Vervolgens werd gehoord Johannes Bruël, oud 25 jaren, koopman, wonende aan de Molendijk te Goes.

Hij verklaarde het volgende: “Gisterennacht, even na twaalf uren, van vijf op zes en twintig Februari 1800 vier en negentig, bevond ik mij met Pieter van Hese en Adriaan Harinck aan de Kleine Kade te Goes. De hiergenoemde personen kregen woordentwist. Ik bemoeide mij daar niet mede en ging hun eenige passen vooruit. Opeens zag ik dat ze beiden handgemeen hadden en sloegen elkander over en weer met de handen waar ze elkaar maar raken konden. Harinck had een voorwerp in de hand waar hij mee sloeg. Ik kon niet onderscheiden welk voorwerp, maar zag later dat van Hese uit ’t gelaat bloedde. Ik heb geen bloed aan Harinck gezien, ook is hij niet tegen een deur geworpen of door van Hese op den grond geslagen. Meer kan ik niet verklaren omdat ik er mij niet heb mede bemoeid”.

Na voorlezing en goedkeuring geteekend,

Was geteekend: Johannes Bruël

 

Agent Slimmens vervolgd: “Alsnog is door mij gehoord den verdachte Pieter van Hese, oud 29 jaren, arbeider, wonende aan de Pieter Jasperstraat te Goes, die desgevraagd verklaart als volgd: “In den nacht van vijf op zes en twintig Februari, even na twaalf uren, bevond ik mij met Johannes Bruël en Adriaan Harinck op de Kleine Kade te Goes. Harinck zocht woordentwist tegen mij en daagde mij uit om hem te slaan, ’t welk ik niet deed. Al verder gaande sloeg hij mij opeens met een hard voorwerp (ik kon niet onderscheiden welk) tegen mijn hoofd, waardoor een bloedende wond onstond en krabde mij daarbij zoo hevig in het gelaat, dat daardoor kleine ontvellingen zichtbaar zijn. Ik heb Harinck niet op den grond geworpen, ook niet tegen eene deur. Ik heb hem zelfs niet geslagen. Wel heb ik hem, toen hij mij sloeg en krabde, met de handen afgeweerd. Meer weet ik niet meer”.

Na voorlezing en goedkeuring verklaart de verdachte geen schrijven te hebben geleerd”.

Was getekend: Marcus Slimmens