Adriaan van Hese, Arnz verdacht van vernieling (1894)

Processen-verbaal van Adriaan van Hese zn van

Arnoldus en Francina Johanna den Herder

 

Het proces-verbaal van 13 september 1894 luid:

 

“Ik heb de eer u te doen toekomen een proces-verbaal tegen Adriaan van Hese, n.m.i. verdacht wegens vernieling.

Verdachte beloofde eerst de schade te vergoeden, maar schijnt van deze voornemens terug gekeerd te zijn. Hij staat bij de politie slecht bekend, Bij oploopjes of ander onordelijkheden is hij no.1 en komt steeds zeer vijandig tegen over de politie te staan.

Is een persoon waarvan de justitie in het vervolg meer last zal krijgen en zijn de namen van Hese wel bij uw rechtbank bekend”.

Op den tienden september 1800 vier en negentig heb ik Willen Elisa van Kogelenberg, agent van politie, tevens onbezoldigd rijksveldwachter te Goes, naar aanleiding eener, door Arie Johan Legerstee, oud 46 jaren, koopman te Goes gedane klacht een onderzoek ingesteld en daarbij de hieronder te noemen personen gehoord.

1e Bovengenoemde Legerstee die verklaarde dat hij op 1 september j.l. des avonds omstreeks tien uren met zijne met aardewerk gevulde kar in de Nieuwstraat alhier stond en dat Adriaan van Hese, oud 16 jaren, arbeider, wonende aan de Oostsingel te Goes, naar hem toe kwam met de vraag: “Heb je peren”? waarop Legerstee antwoordde:

” Neen, gaat van mijn kar want het is brekende waar”. Daarop zeide van Hese:”Wat brekende waar”, en sloeg op de kar waarop een kan en een kommetje tot waarde van 40 cents stuk zijn geslagen.

Van Hese zeide de volgende dag te zullen betalen, doch heeft zich niet laten zien.

2e Anna Maria van de Visse, oud 60 jaren, werkvrouw en wonende aan de Nieuwstraat te Goes, verklaarde geheel in overeenstemming Legerstee.

3e De hiervoor genoemde van Hese, die op mijn vraag, of hij de door hem aangerichte schade wilde vergoeden antwoordde:” Denk je dat ik het verdom om acht stuivers te betalen, dan maak je maar proces-verbaal op”.

Op ambtseed opgemaakt en geteekend,

Was get, W.E. van Kogelenberg