Adriaan van Hese, Arnz. verdacht van wederspannigheid (1895)

Adriaan verdacht van wederspannigheid

 

Op 8 juni 1895 schrijft de commissaris van politie te Goes aan de kantonrechter te Middelburg het volgende:

“Ik heb de eer u hierbij te doen toekomen een proces-verbaal tegen Adriaan van Hese n.m.i. verdacht van wederspannigheid.

Verdachte staat ongunstig bij de politie bekend. In 1894 werd tegen hem geverbaliseerd wegens vernieling. (zie 13 september van dat jaar waarin ik u meedeelde dat het een persoon is waarvoor de justitie in

’t vervolg wel meer last zal krijgen(daarvoor vrijgesproken) en wegens mishandeling en vernieling (zie 9 november van dat jaar))

In dat jaat is tegen hem geverbaliseerd wegens 2 overtredingen. Het werpen met sneeuballen tegen personen en het inwerpen van een glasruit in het station.

 

Verder heb ik u nog de eer u te berichten dat bij mij in onderzoek is ongeregeldheden die de 2e Pinksterdag onder deze gemeente op de

‘s Heer Hendrikskinderendijk hebben plaats gehad, door het zoeken van flinke getuigen in deze zaak, kan de voltooiing van het proces-verbaal zoo niet geschieden.

De commissaris van politie

 

Het proces-verbaal luid als volgt:

 

Op den tweeden Juni 1800 vijf en negentig des avonds omstreeks negen uren, werd ik, Willem Elisa van Kogelenberg, agent van politie en onbezoldigd rijksveldwachter te Goes, ter assistentie geroepen in de zaal van het Leger des Heils aldaar, waar door verschillende personen, door leven maken, de bijeenkomst werd verstoord. Nadat eenige jongens op mijn aanmaning de zaal hadden verlaten werd mij door Everinus van Wieringen, oud 22 jaren, visscher te Wilhelminadorp, gemeente Kattendijke die in de zaal als commissaris van orde fungeerde, en persoon aangewezen, die de orde verstoorde en op zijn last de zaal niet wilde verlaten. Laatst bedoelde persoon was genaamd Adriaan van Hese, oud 17 jaren, arbeider en wonende aan de Oostsingel te Goes.

Deze gaf mij te kennen niets kwaads te hebben uitgericht en wilde daarom niettegenstaande herhaalde aanmaningen mijnerzijds de zaal niet verlaten, waarop ik hem beet pakte en op den grond zette.

Daarop ging hij op de grond liggen, daarbij steeds te kennen gevende niet naar buiten te willen gaan.

Ik heb hem toen bij zijn kraag en benen gevat en de zaal uitgesleept tot in het portaal, waarbij hij zich door slaan en stompen hevig verzette.

Daar gekomen zeide hij wel naar buiten te zullen gaan, hetgeen hij ook deed.

Voren genoemde van Wieringen heeft mij betrekkelijk deze zaak het volgende verklaart.

“Ik was door de Adjudant gelast zoveel mogelijk de orde in de zaal te bewaren en de personen die zich niet fatsoenlijk gedroegen de zaal te doen verlaten.

Ik had van Hese herhaaldelijk gesommeerd stil te zijn, omdat hij hardop zat te praten en te schreeuwen, totdat ik hem ten laatste gelaste zich te verwijderen, hetgeen hij weigerde, waarop ik uwe hulp inriep”.

Na voorlezing en goedkeuring geteekend, Everinus van Wieringen

 

 

Elisa Beckett, oud 28 jaren, adjudant bij het Leger des Heils te Goes, verklaarde mij desgevraagd het volgende:”Ik heb in qualiteit van bevelvoerend officier van het Leger des Heils te Goes aan voornoemde van Wieringen last gegeven de orde in de zaal op gemelde datum zoveel mogelijk te handhaven en de kwaadwilligen uit de zaal te verwijderen”.

Was get. E. Beckett

 

De hier voorgenoemde van Hese verklaarde het mij volgende: “Ik ben door van Wieringen gewaarschuwd om de zaal van heils leger te verlaten, doch ik had geen kwaad gedaan en daarom wilde ik aan de waarschuwing geen gevolg geven”.

Na voorlezing goedgekeurd en getekend: A. van Hese

 

Naar aanleiding van bovenstaand proces-verbaal heb ik nog gehoord, Johannes ten Bosch, oud 39 jaren, schilder te Goes, die mij het volgende verklaarde:”Ik heb ook gezien dat bedoelde van Hese veel drukte maakte en probeerde de bijeenkomst te verstoren”.

Was get. Johannes ten Bosch

 

Op ambtseed opgemaakt en geteekend: W.E. van Kogelenberg.