Pieter van Hese, Arnz. gaat de schoolmeester te lijf (1900)

Proces-verbaal Pieter van Hese, zn van Arnoldus en Francina Johanna den Herder

 

Proces-verbaal

 

Omstreeks tien uur in den voormiddag van den tweeden Maart Negentienhonderd, verscheen ter wachtkamer van de politie te Goes, Jan Dirk van den Berge, geboren te ter Neuzen den 7 April 1843, hoofdonderwijzer aan school D te Goes, die mij Hendrik Windhorst, Hoofdagent van politie en onbezoldigd rijksveldwachter alhier, het volgende mededeelde:

“Dat zoo even tevoren een scholier zijner school, genaamd Arnoldus van Hese, door den onderwijzer van Driel voor straf in de schoolgang was geplaatst.

Dat die jongen toch zoo een geschreeuw maakte, dat hij daarvoor niet kon doorgaan met het geven van les aan de andere kinderen inde klasse, waarom hij genoodzaakt was die jongen buiten het schoolgebouw te verwijderen en hem naar huis zond.

Even daarna kwam de vader Pieter van Hese het school gebouw binnen en maakte groot lawaai tegen den onderwijzer van Driel. Toen ik zag dat hij van Driel met gebaren en woorden bedreigde, zonder alles duidelijk te hebben gehoord, omdat wij in twee verschillende klassen waren, ben ik dadelijk naar de politie geloopen, maar heb van Hese niet gezegd dat hij het schoolgebouw moest verlaten”.

Ik hoofdagent, voornoemd, begaf mij vergezeld van den Heer van den Berge, onmiddellijk naar het schoolgebouw en ontmoeten wij op den openbaren weg, genaamd het Kerkplein alhier, genoemde Pieter van Hese die uit de school kwam en nog zeer opgewonden en kwaad was en den Heer van den Berge de woorden toevoegde: “Smeerlap, schobberd, ik zal je later wel krijgen”, en zoo zijn weg vervolgde.

Ik relatant begaf mij met van den Berge het schoolgebouw binnen en kwam even daarna genoemde van Hese ook in de school terug en gaf te kennen, onder alles behalve liefelijke uitdrukkingen, zijn ander zoontje mede naar huis te willen nemen. Dit werd hem dan ook door genoemde onderwijzer toegestaan en verwijderde van Hese zich uit het schoolgebouw.

Alstoen werd mij gehoord, Bartel Christiaan van Driel, geboren te Nieuwerkerk, Zeeland, den 24e Maart 1844, onderwijzer aan school D en wonende te Goes, die verklaarde dat in dien voormiddag zijn leerling Arnoldus van Hese met een andere jongen uit zijn klasse twist hadden over een bal. Toen hij tussen beiden kwam en de jongen waar van Hese een twist mee had in ’t gelijk stelde, begon van Hese luid te schreeuwen en aangezien hij daarmede aanhield en het zeer hinderlijk was om les te geven, had hij hem in den gang van het schoolgebouw gezet totdat hij met schreeuwen zou ophouden.

Daarna zette den Hoofdonderwijzer van den Berge hem buiten het schoolgebouw zooals reeds is vermeld. Kort daarop kwam de vader Pieter van Hese met een groot lawaai de school binnen, vloekend en razende zeide hij hem, van Driel, wel te zullen vinden, greep hij van Driel toen bij de keel en dreigde hij hem met een tabaksdoos te slaan, maar hield zich van het laatste terug. Dat een en ander ook was gezien door den onderwijzer kweekeling, Hendrik Oele, die bij hem in de klasse was.

Gehoord Hendrik Oele, geboren te Kloetinge, den 21e April 1882, onderwijzer kweekeling aan school D te Goes en wonende te Kloetinge, die verklaarde eensluidend als den onderwijzer van Driel en te hebben gezien dat van Hese, van Driel bij de keel, greep en hem bedreigde met een tabaksdoos die hij in de hand had te zullen slaan, maar hij dit laatste niet ten uitvoer bracht.

Den verdachte Pieter van Hese, Arnz, geboren te Vrouwenpolder den 6e Juni 1868, arbeider, wonende te Goes, verklaart dat in den voormiddag, omstreeks 9 ½ uur van den tweeden Maart jl., zijn 9 jarig zoontje Arnoldus uit school naar huis kwam en hem mededeelde dat hij uit school was gestuurd zonder pet of jas en klompen.

Dat hij (de vader) zich daarover zoo boos had gemaakt, dat hij meer genoemde school binnen was gegaan en tegen den onderwijzer van Driel had gezegd: “Wil ik je eens bij je donder pakken”, waarop hij, van Hese, naar hem greep zonder hem te vatten. Dat hij wel een tabaksdoos in zijn hand had, maar hem daarmede niet had bedreigd te slaan, ook had hem niet bij de keel vast gehad. Daarop verliet hij de school. Toen hij op het Kerkplein was gekomen, ontmoete hij de hoofdonderwijzer Van den Berge en mij telatant en heeft toen tegen van den Berge gezegd: “Wil ik je eens bij je donder pakken”, en meer onbetamelijke woorden, welke hij niet meer kan herinneren. Dat hij hem niet heeft uitgescholden voor;”smeerlap en schobbert”.

Dat hij daarna zijn ander zoontje uit de school ook mede naar huis heeft genomen.

De hoofdonderwijzer van den Berge verklaart nog dat hij niet heeft gezien dat van Hese den onderwijzer van Driel bij de keel gegrepen heeft en dat hij de woorden door van Hese tot hem gesproken;”ik zal je later wel krijgen”, enz., als ene bedreiging opneemt, te meer dat de familie van Hese zoo slecht bekend staat.

En heb hiervan ambtsedig dit proces-verbaal opgemaakt en geteekend op den vierden Maart 1900.

Was geteekend, H. Windhorst