Maria Theresia Brouwer e.v. Pieter, mishandeling (1896)

Maria Theresia Brouwer verdacht van onderlinge mishandeling 

Maria Theresia diende een klacht in tegen H. Reijerse. Deze zou haar beledigende woorden toegeworpen hebben. Agent Willem Eliza van Kogelenberg stelde een onderzoek in en maakte het volgende proces-verbaal.

“Op den vijf en twintigsten Juli 1800 zes en negentig heb ik Willem Eliza van Kogelenberg, agent van politie en onbezoldigd rijksveldwachter te Goes op last van den Heer Commissaris van Politie aldaar een onderzoek ingesteld naar aanleiding eener klacht gedaan door Maria Theresia Brouwer, oud 30 jaren, huisvrouw van Pieter van Heze, bij welk onderzoek ik de hierna te noemen personen heb gehoord, welke mij het volgende verklaarden: 

1e Bovengemelde Maria Theresia Brouwer:”In den avond van den 24e Juli jl. kwam H. Reijerse met zijn zoon Piet van het land. Een kind van eerstgenoemde kwam achter hun met een spade en stootte een bij mij vertoevende kind van mijne zuster, tegen haar arm, waardoor die werd gewond. Een kind van M. van Gorp overkwam hetzelfde, doch aan zijn hoofd.
Ik zeide tegen Reijerse:”Kijk daar toch naar, want dat is geen manier van doen om zoo’n klein kind met een spade te laten loopen”.
Reijerse zeide daarop:”Wat wouw jij luilak, vuilpoets, je hebt me zelf gepresenteerd om eens bij je te komen”. Toen dreigde ik om te slaan.
H. en P. Reijerse pakten mij beiden aan, sloegen mij met hun vuisten, terwijl H. Reijerse mij bovendien het haar uit mijn hoofd trok. Daarna ben ik in huis gevlucht.
Na voorlezing en goedkeuring geteekend: M.T. Brouwer. 

2e Anna Maria de Witte, oud 43 jaren, huisvrouw van Matthijs van Gorp:”Op den 24e Juli jl. omstreeks half negen des avonds kwam mijn zoontje met een gat in zijn hoofd thuis. Ik hoorde van andere kinderen dat het kind van H. Reijerse die wond met een spade had toegebracht.
Ik sprak er Reijerse over, die gaf te kennen dat hij er niets aan kon doen. Ik heb gezien dat P. Reijerse haar in het hoofd beet.
Na voorlezing en goedkeuring geteekend: A.M. de Witte.  

3e Martinus Rooze, oud 27 jaren, arbeider:” In den avond van24 Juli jl. hoorde ik buiten een groot leven, waarop ik ging kijken. Daar zag ik dat vrouw van Heze, H. Reijerse met zijn vrouw en zoon Pieter, ieder op hun eigen erf, afgesloten door een hekje, stonden en ruzie hadden.
P. Reijerse had vrouw van Heze bij het haar. H. Reijerse rekte, of hij iemand vast had weet ik niet. Wel hoorde ik dat vrouw Reijerse riep:”Houdt op Hein, houdt op Piet”!
Toen het vechten geëindigd was, zag ik dat het haar van vrouw van Heze los hing en hoorde dat er verschillende scheldwoorden werden geuit, o.a. dat H. Reijerse tegen vrouw van Heze riep:Je laat je naaien en geeft nog een half pintje”. Vrouw van Heze toen weer tegen H. Reijerse:” Je hebt mij een gulden geboden om even in huis bloot te leggen”.
De families Reijerse en van Heze leven reeds lang in onmin en er is meer malen ruzie tussen hun”.
Na voorlezing en goedkeuring geteekend: Martinus Rooze. 

4e Marinus Rooze, oud 24 jaren, arbeider:”Met de verklaring van mijn broeder stem ik geheel in. Bovendien heb ik gezien dat vrouw van Heze, P. Reijerse met een putemmer zeer hard op zijn hoofd sloeg. Het laatstgenoemde was het begin van de handtastelijkheden".
Na voorlezing en goedkeuring geteekend: Marinus Rooze. 

5e Hendrik Reijerse, geboren te Kloetinge den 7e September 1850, werkman:”In den avond van de 24e Juli jl. kwam ik met mijn zoon Pieter van het land. Mijn 7 jarig dochtertje kwam achteraan en droeg mijn spade, Toen ik in huis was kwam vrouw van Gorp mij zeggen, dat haar zoontje tegen die spade was geloopen. Vrouw van Heze zeide tegen mij:” Is dat nu doen, zoo’n klein kind met een spade te laten loopen, je maakt liever een jong, als er op te passen”. Ik zeide dat ik niets met haar te doen wilde hebben en ging op zijde. Toen zeide ze tegen Piet:” Jij bent net zoo’n smeerlap als je vaer”. Zij pakte een putemmer en sloeg Piet tegen zijn hoofd. Piet vloog er toen op af en ik kwam er tussen om hun te scheiden, waarbij ik vrouw van Heze aan het haar trok. Ondertussen kreeg ik nog een klap met een emmer van haar. Na eenig schelden wederzijds zijn wij gescheiden.
Na voorlezing en goedkeuring geteekend: H. Reijerse. 

6e Pieter Cornelis Reijerse, geboren te Goes den 10e Juli 1874, werkman:”Mijn verklaring is precies gelijk als die van mijn vader”.
Na voorlezing en goedkeuring geteekend: P.C. Reijerse. 

Alle de bovengenoemde personen wonen aan de Westhavendijk te Goes.

De beklaagden hebben bij mij weten geen bij of valschen naam.

Op ambtseed opgemaakt en geteekend op den 26e Juli 1896

Was geteekend: W.E. van Kogelenberg 

Op de na het afgegeven proces-verbaal kwam er nog een 7e getuige bij. Hierover moest weer een aanhangend proces-verbaal van geschreven worden welke luid:
Den zeven en twintigsten Juli 1800 zes en negentig heb ik Willen Eliza van Kogelenberg een nader onderzoek ingesteld omtrent de zaak vermeld in mijn proces-verbaal van den 26e Juli jl. tegen Hendrik en Pieter Cornelis Reijerse en daarbij gehoord Thomas Bak, oud 35 jaren, arbeider, wonende aan de Pieter Jasperstraat te Goes, die mij het volgende verklaarde:
“In den avond van den24e Juli jl. omstreeks half negen heb ik gezien dat vrouw van Heze, P. Reijerse, die zich wilde wassen, een zeer harde klap met een putemmer gaf. P. Reijerse pakte haar toen aan. H. Reijerse, die er toen tussen kwam om hun te scheiden, kreeg een klap met een emmer van haar.
Vrouw van Heze is de eerste geweest die sloeg. Bedoelde vrouw is erg lastig en maakt meermalen ruzie in de buurt”.
Na voorlezing en goedkeuring geteekend: T. Bak 

Op ambtseed opgemaakt en geteekend op den 28e Juli 1896

Was geteekend: W.E. van Kogelenberg