Maria Theresia Brouwer e.v. Pieter, mishandeling (1898)

Maria Theresia Brouwer verdacht van mishandeling 

Het proces-verbaal: 

In den avond van den zesden November 1800 acht en negentig, omstreeks 7 ¼ uur, verscheen ter wachtkamer van politie te Goes, Johannes Bruël, oud 30 jaar, van beroep schippersknecht, wonende op de Molendijk te Goes, die aan mij Marcus Slimmens, Hoofdagent van politie en onbezoldigd rijksveldwachter te Goes, de volgende aangifte deed; dat hij even te voren omstreeks 7 ¼ uur. Zich bevond in de herberg van Cornelis Luijk aan de Beestenmarkt alhier en zat aan een tafeltje kaart te spelen, toen Pieter van Hese met zijn huisvrouw daar ook binnenkwam en laatstgenoemde tot hem zeide:” Je zijt de ondergang van mijn man”, en voegde zij scheldwoorden toe en gaf hem vervolgens met den beugel ener portemonnaie een slag op het aangezicht dat hij hevig uit den neus begon te bloeden. Hij verklaarde dat hierbij tegenwoordig waren de twee zoons van Luijk, Danker en Cornelis en Jan Timmerman. 

Gehoord, Johannes Franciscus Timmerman, oud 36 jaar, arbeider, wonende te Goes, die mij desgevraagd verklaarde zich op den zesden November jl. des avonds ongeveer 7 ¼ uur te hebben bevonden in de herberg van Cornelis Luijk, waar ook Johannes Bruël, Pieter van Hese en diens huisvrouw Maria Theresia Brouwer zich bevonden en hoorde hij dat genoemde vrouw tegen J. Bruël zeide:” Je zijt de ondergang van mijn man”. Of zij Bruël heeft geslagen kan hij niet verklaren omdat hij aan een andere tafel kaart speelde, waardoor hij de vrouw niet altijd in het oog hield. Wel zag hij dat Bruël uit de neus bloedde. 

Cornelis Luijk, oud 20 jaren, bakker, en diens broeder Danker Cornelis Luijk, oud 22 jaren, timmermansknecht, wonende ten huize harer ouders aan de Beestenmarkt te Goes, verklaarden mij hoofdelijk, dat Johannes Bruël zich op den zesden November jl. des avonds omstreeks 7 ¼ uur bevond in de herberg hunner vader en dat daarop genoemd uur binnen kwamen Pieter van Hese en diens huisvrouw en hoorden zij dat vrouw van Hese voornoemd tegen Bruël zeide:” Je zijt de ondergang van min man”, en verder twist begon te zoeken en daarna zij met de hand of vuist Bruël een slag op het aangezicht onder de neus gaf, zoodat hij hevig uit dat lichaamsdeel begon te bloeden. Of vrouw van Hese een voorwerp inde hand had kunne zij niet verklaren. Daarop hebben zij vrouw Brouwer buiten de herberg geduwd. 

Gehoord de verdachte Maria Theresia Brouwer, huisvrouw van Pieter van Hese, geboren te Goes den 28e September 1866, die mij desgevraagd verklaart als volgt:
“Op den zesden November 1800 acht en negentig, des avonds omstreeks 7 uur, achtervolgde ik min man op straat, omdat hij dronken was, toen hij bij de herberg van Cornelis Luijk binnen ging, ging ik deze ook binnen om mijn man mede naar huis te nemen. Toen ik zag dat hij Johannes Bruël een borrel aanbood, was ik daar zeer gevoelig over. Wat ik toen in mijn kwaadheid tegen Bruël heb gezegd, weet ik niet. Ik weet wel dat ik hem een klap met mijn hand in zijn aangezicht gaf en of hij bloedde heb ik niet gezien. Bruël schold mij toen uit voor “ vuilak, vuilpoes en hoer”. Toen werd ik buiten de herberg geduwd”.

 En heb ik hiervan ambtseedig dit proces-verbaal opgemaakt en geteekend op den zevenden November 1800 acht en negentig.

Was geteekend: M. Slimmens.