Maria Theresia Brouwer e.v. Pieter, nogmaals mishandeling (1899)

 Nogmaals verdacht van mishandeling. 

Op 13 november 1899 stuurde de commissaris van politie te Goes een proces-verbaal tegen Maria Theresia Brouwer, huisvrouw van Pieter van Hese naar de justitie omdat zij naar zijn mening verdacht was van mishandeling. De getuigen echter houden vol niets gezien te hebben van deze mishandeling. Men wilde waarschijnlijk niets met de zaak te maken hebben, daar de getuigen en de verdachte als zeer lastige vrouwen bekend stonden.

Proces-verbaal 

Den achtsten November 1800 negen en negentig des voormiddags omstreeks 3 ure werd aan mij Johannes Anthony Dootjes, agent van politie en onbezoldigd rijksveldwachter te Goes, aangifte gedaan door Johanna Maria de Wit, oud 48 jaren, zonder beroep, huisvrouw van Willem Brouwer, wonende te Goes, dat zij mishandeld was door hare schoonzuster Maria Theresia Brouwer, huisvrouw van Pieter van Hese, welke mishandeling zij mij als volgt verklaarde:
“Ik stond heden namiddag op bovengemelde datum omstreeks een uur op mijn erf,, het welk gelegen is achter mijne woning. Ook stonden daar op het erf van mijn schoonouders, hetwelk naast het mijne gelegen is en door een afrastering gescheiden is van mijne schoonmoeder en schoonzuster Maria. Ik kreeg een eenige woorden met mijne schoonmoeder over het opvangen van regenwater uit de dakgoot. Mijn schoonzuster Maria trok haar dat zoo aan voor haar moeder, dat zij mij ook begon te schelden voor hoer, rotzak, enz. Daarop nam zij een stuk plank en gaf mij daarmede van op het erf mijner schoonouders een slag op het hoofd. Ook nam zij een bezem die in hare nabijheid stond en gaf mij daarmede een slag op den linker bovenarm, waardoor een wond ontstond en die arm opgezwollen is, waaraan ik veel pijn heb”.
Als getuigen gaf zij op Jacobus en Johannes Gelock en Adriaan de Dreu. 

Gehoord: Jacobus Gelock, oud 23 jaren, Johannes Gelock, oud 18 jaren en Adriaan de Dreu, oud 19 jaren, allen werklieden, wonende te Goes die mij relatant alle drie overeenkomstig verklaren, dat zij wel eenige ruzie op de achtererven van de familie Brouwer gehoord hebben, maar totaal niets van die mishandeling gezien hebben.
Ook is door mij relatant, de hierin genoemde Johanna Maria de Wit met de verklaring van door haar genoemde getuigen in kennis gesteld, waarop zij mij verklaarde, dat zij het zeker moeten gezien hebben.
Verder is door mij beambte gehoord de verdachte Maria Theresia Brouwer, huisvrouw van Pieter van Hese, geboren te Goes den 13 October 1865, zonder beroep en wonende aldaar, die mij desgevraagd als volgt verklaarde:
“Ik hebwel op de hierin bedoelde datum en uur op het achter erf van mijn ouders gestaan en mijn schoonzuster Johanna de Wit gedreigd met een bezem te slaan, maar meer heb ik niets gedaan”.

Op ambtseed dit proces-verbaal opgemaakt en geteekend den elfden November 1800 negen en negentig

Was get. J.A. Dootjes.

Wat opvalt in deze dit proces-verbaal en het vorige, ( 6 nov. 1898) is dat Maria verschillende geboortedatums heeft (28 sept. 1866 en 13 okt. 1865).
Toch weten we het zeker met dezelfde Maria Theresia Brouwer te maken te hebben, omdat in beide processen-verbaal zij als huisvrouw van Pieter van Hese beschreven staat. 

De commissaris van Politie schrijf in haar rapport van 3 januari 1903: Staat als zeer lastige vrouw bekend.

In 1893 werd, in 1894 tweemaal een klacht tegen haar ingediend wegens belediging.(zie missives 109 en 259 van 18 september 1893, no. 39 en 147 van 23 januari en 21 maart 1894 en no. 327 van 27 juli 1898, wegens belediging.
In 1896 wegens onderlinge mishandeling
In 1898, 6 november, wegens mishandeling.
In 1903, 1 januari. wegens wederspannigheid (zie Cornelis van Hese)

Verstandelijke ontwikkeling goed. (?)