De huwelijksgetuige

De Huwelijks getuige 
Door: Marinus Sinke 

Ik was op een huwelijk als getuige verzocht
En vol genoegen had ik aangenomen
Ik had per occasie een broek mij gekocht
Om fatsoenlijk voor de pinnen te komen
De baas van het kleerhuis, die vent ken ik goed
Die zeide mij: ik weet wat gij hebben moet
Hier heb ik een mooie, heel sterk en fijn
Ik betaalde half geld en de broek die was mijn
Ik had een gebrek want hij was mij te lang
Dat was te verhelpen, ik was daarvoor niet bang
Ik kwam er mee thuis, bij moeder de vrouw
En sprak lieve schat, kom help mij eens gauw
Ik heb hier een broek, doe mij nu ’t plezier
En maak die wat korter, een vinger of vier
“k Moet morgen naar ’t feest, die Charles die touwt
En ik ben getuige, mijn plicht, wel beschouwd
Opeens schiet mijn wijf geweldig aan ’t vloeken
“Meneer gaat niet werken en koopt nieuwe broeken
En brengt dan nog werk, zo gaat het altijd
De man is meneer en de vrouw is de meid
De man die gaat feesten, de vrouw wordt beknort
Die broek die is goed, maar jouw benen te kort
En als je iets koopt, koop dan iets naar je maat
En gooi zo onhandig je geld niet op straat
Ik steek er geen hand aan, zie dat je het redt”.
En madam trok er uit, heel ferm en net
Daar stond ik nu en kreunde eens zacht
Toen ik opeens aan mijn schoonmoeder dacht
Die woont bij ons in en zulk een geluk
Begrijpt men pas in bed en ik dus druk
Klom dus de trap op en klopte er aan
Om een ogenblik later voor mijn redster te staan
Ik sprak: ”Moederlief help me toch uit de drup
En knip alstublieft van die broek hier een stuk
Ze is me te lang, vier vinger te groot
Ach moedertje lief help mij uit de nood
Dat zie je van hier, dat heb je gevonden
Of hoorde ik pas niet voor enkele stonden
Dat zij was aan ’t krakelen, ’t was zo’n laweit
Zo min als mijn dochter ben ik uwe meid
Wat denk je, maak je hier ras vandaan
Je hebt me weer nodig, anders klop je niet aan
En voor ik kon spreken, om verschoning te vragen
Was de deur voor mijn neus al hard dicht geslagen
Ik droop naar beneden, verwenste met kracht
Mijn vrouw met haar moeder en heel dat geslacht
Wat moest ik nu doen, wat moest ik beginnen
<Maar wacht, ik was gered, mijn dochter kwam binnen
Het is nog een kind in haar twaalfde jaar
En werkt zeer behendig, met naald en met schaar
Ik gaf haar mijn broek en sprak zie eens hier
Knip daar eens een stuk af, ’n vinger of vier
Ze is me te lang, doe dat nu eens kind
Want ik heb ze zo nodig, dus spoed u gezwind
Toen stak ze haar tong uit en zette een neus
En weg was de deugniet, toen had ik geen keus
En toen vol van nijd, greep ik zelf de schaar
“k Gaf een knip in de pijpen en de broek die was klaar
Ze paste mij goed, in een ogenblik verlost
Van iets dat mij zoveel hartzeer had gekost
Nu zult u wel denken, nu is het gedaan
’t Is nu eerst dat de historie vangt aan
Mijn vrouw kwam weer thuis en had grote spijt
Van die lelijke dingen die ze mij had gezeid
Ik was al naar bed en zij ging toen heel kloek
Aan ’t werk om te knippen, ’n stuk van mijn broek
Zij knipte er een lap af en zoomde haar net
Nu zal manlief blij zijn als hij komt uit zijn bed
Mijn dochter die dacht reeds aan Sinterklaas
En dacht bij zich zelf, papa is de baas
Kom maak ik die broek maar, dan is hij tevree
En daar ging weer ’n stuk van mijn broek af, o wee
Mijn schoonmoeder ook, o hemel wat een kruis
Want ’t is een geluk hoor als je die hebt in huis
Die kreeg ook al spijt en o, wat een noodlot zij bracht
Zij kwam naar beneden, in het holst van de nacht
Ze vond daar mijn broek en knipte eens rond
En weer viel er vier vingers broek op de grond
En ’s morgens vroeg, toen ik beneden kwam
Toen vond ik mijn broek en begreep er niets meer van
Ik was diep ontsteld en ook heel ontdaan
En kon met een zwembroek, naar het huwelijk toe gaan.