12 ambachten en 13 ongelukken

12 ambachten en 13 ongelukken.
door: Marinus Sinke

Toen ik de school pas had verlaten, en ook ik moest werken gaan
Werd ik dadelijk bij van Straten, de bakker in de leer gedaan
Maar wie pas van school afkomt, die wil nog wel eens spelen
Ik werd daarvoor veel begromt, en dat ging mij vlug ververvelen
Toen gooide ik op zekere keer, een kilo gist, ’t was niet te prijzen
In de bakkers plee ter neer en dacht, nu zal de zaak wel rijzen
“s Anderdaags riep de bakkervrouw: “wat zal ons nu toch overkomen
Man, Oh man, kom help toch gauw, ’t secreet dat is aan ’t overstromen”.
Ik zei lachend tot de vrouw: “ Fijn deeg zeg, voor het beschuit”.
En: “dat koopje leverde ik jou”. Maar toen was ik ook bakker uit.

Toen ben ik terecht gekomen, bij een schoenmakers baas
Ik heb de leest ter hand genomen en dat beviel mij wel, helaas!
Zijn vrouw kwam weer mijn lust verminderen, ik kreeg van haar steeds een sermoen
Omdat ik het jongste van haar kinderen, geen schone luier aan wou doen
Ik zei: “Wat zijn dat voor grappen, ik hou niet van die aardigheid
Ik ben hier wel voor ’t schoenenlappen, maar toch niet voor kindermeid
Maar ondanks al mijn protesteren, klonk het steeds maar elke dag
“Aap, geef dat jonk eens droge kleren, en toen nam ik mijn ontslag
Vader was niet best te spreken, toen ik thuisgekomen zei: “ ‘k ben klaar”
Ik rentenierde toen drie weken en toen werd ik metselaar

Toen ‘k dat was 8 volle weken, heb ik mijn baas –die kippig was-
Onthaald op één van mijne streken, ’t was toch wel een beetje kras
Ik deed mijn broek toen van mijn benen, en die heb ik toen heel net
Opgevuld met zand en stenen, op ’t hoekje van een muur gezet
Eindelijk, -ik verschool mij toen gezwind-, kwam mijn baas ’t werk op kuieren
Zag de broek en riep: “Duivelskind, sta jij daar alweer te luieren”.
Hij gaf die broek een fikse slag met zijn hand, maar ook terstond
Riep hij: ‘Au, au, au, wel zaterdag, wat heb jij een harde kont
Toen de baas kreeg in de gaten, hoe de vork in ’t steeltje zat
Moest ik direct het werk verlaten, ‘k was metselaar af, da’s nogal glad

Toen ik thuis kwam, heus ik griende, maar dat deed ik voor de schijn
En toen werd ik weer bediende, in een kledingmagazijn
Daar kon ik het nogal vinden en deed werkelijk goed mijn best
Maar ik was gelijk alle winden, ’t liep weer mis met mij op ’t lest
Eens vond ik  –’t was op de zolder-, een geklede modepop
In mijn hoofd kwam weer de kolder en hing hem aan een spijker op
En toen één der winkeldames, hem wat later hangen vond
Viel zij zonder veel reclames, ras in katzwijm op de grond
“Ga eens vlug een dokter halen”, zeide men toen tegen mij
Die kwam toen mee , zonder dralen, nou toen was die juf gauw bij

Toen men na enkele ogenblikken, ’t voorwerp van haar angsten vond
Zei mijn baas: “ Wat was dat schrikken, da is jou werk, vertrek terstond”.
Vader zei: “Je moet ’t weten, denk niet dat ik voor niets jou voer
Wie niet werkt, zal ook niet eten”, en toen werd ik groetenboer
Maar dat viel mij ook al tegen, ’s morgens op voor dag en dauw
En soms werken in de regen, dat verveelde mij al gauw
Toen ik op een keer moest leuren, zei ik: “Baas, hoor me even an,
‘k wil wel groenteteler leren, maar ik speel niet voor karreman”.
“Wil je wel eens vlug beginnen”, gaf de baas mij op mijn brood
Maar ik zei –‘k was woest van binnen-, “Zet voor dat werk maar een Jood”.

Dat was dus weer afgelopen, en na ruim een week of vier
Kwam voor mij een baantje open, ik werd namelijk barbier
Het beviel mij goed dat scheren, ’t inzepen vooral was dol
En ik streek bij alle heren, neus en mond en oren vol
Toen ik het mes ook ging hanteren, dacht men dat ik vilder was
’t Bloed zat soms op al mijn kleren en mijn baas die zei alras
Dat is langer niet te kroppen, en voor jij een moord begaat
Zullen wij er maar mee stoppen, Jij moet slachter worden maat
Toen ik vader dat liet weten, zei hij voor den dit en dat
“De maat is bijna vol gemeten,  jij groeit op voor glag en rad”.

Vader was wat opgewonden, maar ik had tot mijn plezier
Gauw een andere baas gevonden, ik werd namelijk huurkoetsier
‘k Moest nu rijden hele dagen, met twee knollen zonder ziel
En een oude rotte wagen, die bijna uit elkander viel
Eens moest ik eens rond gaan rijden, met een vreselijk dikke man
Toen dacht ik zo tussen beiden, daar komen nog ongelukken van
Ik had nog niet ver gereden, of, door de zwaarte van meneer
Ging de rijtuigvloer in tweeën, O wat ging die vent te keer
Hij was in ’t rijtuig nu gevangen, en moest tot zijn groot verdriet
En nog wel op mijn verlangen, lopen of hij het nu wou of niet

Want ik kon het echt niet laten, ‘k gaf nog gauw die knol een tik
En ‘k reed zo door de drukste straten, mensen wat een lol had ik
Toen een agent mij liet stoppen, “meneer” uit het “looptuig” hielp heel kwiek
Zei ik: “Wel meneer van Proppen, hoe beviel die gymnastiek”.
Hij zei: “Dat kom ik  nooit te boven, maar er is gerechtigheid,
Iemand zo een kool te stoven, is het toppunt van brutaliteit”.
Meneer ging mijn patroon bezoeken, en die zeide tot mijn spijt
Dat ik kon wel op gaan doeken, zo was ik weer mijn baantje kwijt
Met zo’n boodschap thuis gekomen, Dat was niet naar vaders zin
Ik heb de kuiten toen genomen, en trok de wijde wereld in

 

Ik was toen nauwelijks 16 jaar, en ik was ten einde raad
Toen besloot ik te gaan varen, op een stoomschip als koksmaat
Pas in volle zee gekomen, zei de kok toen tegen mij
“De tafel die dient afgenomen, en de borden die wast jij”.
“Ga” zei hij, “de borden halen”. Ik ging vlug toen naar benee
En ik nam ze zonder dralen, toen een dikke veertig mee
‘k Moest nu met mijn stapel borden, over het slingerend stoomschip gaan
Ik dacht: “Nou, dat zal wat worden, daar kom ik nooit heel mee aan”.
Juist toen ik dacht: “ik zal er komen”, werd ik door ’t slingeren van de schuit
Met mijn borden opgenomen, ‘k viel van de trap in de kajuit

Eén heel bord was ver te zoeken, en de kok die vroeg mij ras
“Of ik dacht”, -met heel veel vloeken-, “dat hier de vrolijke keuken was”.
Maar enfin, om kort te wezen, ik heb maar één reis gedaan
Ik leefde steeds in angst en vrezen en ben toen weer aan de wal gegaan
Ik ging dadelijk logeren, in een tienderangs hotel
Veel had ik niet te verteren, ’t zat er niet an dat snap je wel
Met ’t werk liep het toen niet tegen, want na nog geen dag of vier
Had ik een baantje al gekregen, ik werd knecht bij een kruidenier
‘k Ben bij hem één week gebleven, ’t werk was zwaar en veel te veel
‘k Heb die vent de raad gegeven, koop jij liever een kameel

Toen ben ik terecht gekomen, als kelner in een fijn hotel
Dat had ik nooit kunnen dromen en daar beviel ’t mij wonderwel
Kelner bleef ik vele weken, maar ik moet bekennen tot mijn spijt
Weer door een van mijne streken, raakte ik mijn baantje kwijt
Ik kreeg eens van een reizend heer, een flesje van zijn beste kit
“Plakken”, zei hij iedere keer, “doet niets beter toch dan dit”.
Toen ging op zekere morgen, alle stoelen van ’t hotel
In plaats van was met kit verzorgen, mensen wat was dat een stel
Bij ieder die had neer gezeten, hing, -die kit die plakte sterk-
Kijk ik zal het nooit vergeten, een stoel aan al hun achterwerk

Maar dit muisje had een staartje, men wees mij als dader aan
Men ontsloeg mij met een vaartje en ik kon weer aan ’t zwerven gaan
Toen ben ik in dienst getreden, bij een heer die leed aan jicht
En in een rolstoel werd gereden, dat was voortaan dan nu mijn plicht
Meneer te rijden in zijn wagen, dat was ’t wat mij niet beviel
Ik zei tot hem na veertien dagen, koop liever een automobiel
Toen kon ik een baantje krijgen, op een kostschool als portier
En ik dacht toen bij mijn eigen, “dat wordt een leven van plezier”.
En portier ben ik gebleven, ongeveer een jaar of zes
Toen werd mij de bons gegeven, Want de school ging op de fles

 Want de directeur was “binnen”, deed de school nu aan de kant
“k Dacht wat moet ik nu beginnen, ‘k wil het wel weten, ik had ’t land
Ik heb een kloek besluit genomen, en nu trek ik door het land
‘k Durf te zeggen zonder schromen, als aannemer negosiant
En ik hoop nu door ’t verkopen, van wat lucifers en lint
Spelden en ook nog wat knopen, dat ik ook mijn kostje vind
Soms sta ik te prakkiseren, over wat ‘k had kunnen zijn
Als ‘k als kind had willen leren, en dan voel ik van binnen pijn
Maar da’s voorbij, nu helpt geen klagen, en terwijl ik trek door ’t hele land
Slijt ik nu mijn levensdagen, als aannemer negosiant